Sneller dan ooit stijgt overal op aarde de temperatuur

Geschreven door admin

Schommelingen in temperatuur waren altijd lokaal. Maar de recente opwarming is mondiaal, laat nieuw onderzoek zien.

De gemiddelde wereldtemperatuur steeg de afgelopen 150 jaar sneller dan ooit tevoren sinds het begin van de jaartelling. Nu is ook vastgesteld dat zij bijna overal op aarde steeg. Dat is een belangrijke aanwijzing dat de huidige opwarming geen natuurlijke oorzaak heeft.

Dit zijn conclusies uit drie studies aan historische klimaatveranderingen die deze week in Nature en Nature Geoscience gepubliceerd zijn, door internationale onderzoeksgroepen, aangevoerd door onderzoekers van de universiteit van Bern.

Voer voor discussie

Uit het onderzoek blijkt ook dat het bijna onmogelijk is aan te geven wat aan het begin van de industriële revolutie de ‘normale’, natuurlijke temperatuur van de aarde was. Dit geeft voer voor discussie bij de uitvoering van het klimaatakkoord van Parijs.

De drie studies maken gebruik van de zogenoemde PAGES 2k-databank. De PAGES 2k-databank is een groeiend bestand van indicatoren voor de historische luchttemperatuur. Hij bevat waarnemingen aan jaarringen van bomen, analyses van ijs- en koraalmonsters en metingen aan bezonken slib van oude meren. Daaruit is de temperatuur af te leiden. Ze zijn onmisbaar voor klimaatonderzoek aan de periode vóór 1850 toen er nog nauwelijks instrumentele metingen waren. De ‘hockeystick’-grafiek die Michael Mann in 1998 introduceerde en waaruit de felle temperatuurstijging op het noordelijk halfrond na 1850 zich voor het eerst aftekende steunde op soortgelijke indicatoren. Het aantal indicatoren is sterk uitgebreid, vertoont al bijna mondiale dekking en bestrijkt inmiddels een periode van 2000 jaar.

Voor het onderzoek waarover Raphael Neukom en collega’s in Nature publiceren was de leidende vraag: manifesteerden de Kleine IJstijd (ruwweg van het jaar 1300 tot 1850) en de Middeleeuwse Warme Periode (van 800 tot 1200) zich mondiaal of regionaal? De vraag bestaat al twintig jaar en is nu definitief beantwoord: het waren regionale fenomenen die zich langzaam verplaatsten. Een afkoeling in het ene gebied ging vaak samen met een opwarming in een andere regio. Voor Noordwest-Europa lag het dieptepunt van de Kleine IJstijd in de 17de eeuw (toen Hendrick Avercamp zijn winterlandschappen schilderde), maar voor de Stille Oceaan kwam het minimum twee eeuwen eerder. Grote delen van de wereld koelden pas in de negentiende eeuw af. Veel klimaatreconstructies hadden dit grillige patroon overigens al eerder aangetoond.

Verrassend en verontrustend is dat de opwarming van de laatste 150 jaar zich wél over het hele aardoppervlak voordoet: het wordt voor het eerst overal warmer. Het vaak door klimaatsceptici gehanteerde argument dat klimaat ‘nu eenmaal altijd verandert’ verliest hiermee aan betekenis.

Pre-industrieel tijdperk

Neukom en collega’s roepen klimaatonderzoekers op voor klimaatreconstructies van het pre-industriële tijdperk vaker met regionale analyses te komen en niet alle beschikbare waarnemingen geforceerd tot een wereldgemiddelde te combineren.

Toch is dat precies wat Neukom doet in het artikel dat hij en collega’s voor Nature Geoscienceschreven. In hun gereconstrueerde lange temperatuurtrends (temperatuurschommelingen op een tijdschaal van eeuwen) vertonen de modellen nogal wat verschillen, maar opvallend is dat de kleinere variaties – die zich vaak op een schaal van decennia ontwikkelen – wel synchroon optreden.

Dat wekt de indruk dat het geen toevalligheden zijn maar mondiale reacties op een externe klimaatinvloed. Statistische analyse maakte vervolgens aannemelijk dat het vooral reacties zijn op vulkaanuitbarstingen (vulkaanstof onderschept de zonnestraling). Ook lijken variaties in de concentraties broeikasgassen (die zich vroeger ook voordeden) invloed te hebben. Een verband met wisselende zonneactiviteit (zoals die voor het verleden is gereconstrueerd) bleek niet overtuigend. Een goed zicht op oorzaak en omvang van historische temperatuurvariaties op een tijdschaal van decennia is onmisbaar voor het voorspellen van toekomstige variaties, beklemtonen de auteurs.

Vulkaanuitbarstingen

In een tweede stuk in Nature Geoscience (eerste auteur Stefan Brönnimann) wordt ingezoomd op het effect dat vulkaanuitbarstingen kunnen hebben op de mondiale luchttemperatuur. Zoals ook uit onderzoek aan ijskernen is afgeleid kwamen tussen 1808 en 1835 in de tropen ongewoon veel vulkanen tot uitbarsting. De beroemdste is die van de Tambora in 1815, die van 1816 het jaar-zonder-zomer maakte. Het afkoelend effect van elke uitbarsting duurde vele jaren. Al met al wordt de periode 1810-1830, het eind van de Kleine IJstijd, gekenmerkt door een heel ongewone afkoeling.

Een andere kwestie is dat door de zware invloed van de vulkaanuitbarstingen niet duidelijk meer is wat de ongeforceerde aardse luchttemperatuur was toen het industriële tijdperk begon. Dat is het aanvaarde nulpunt voor het Parijse klimaatakkoord. Het kan wel 0,5 graad Celsius verschillen van wat nu wordt aangenomen – de auteurs vermelden het terloops.

Uit: https://www.standaard.be/cnt/dmf20190725_04526967

Reageer